1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat de verdachte ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit in zijn lichaam wordt onderzocht.

  2. Onder het onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig en inwendig schouwen en onderzoeken van de openingen en holten van het onderlichaam, het inwendig schouwen en onderzoeken van de openingen en holten van het bovenlichaam of het verrichten van niet-invasief beeldvormend onderzoek en dat onderzoek niet met een technisch hulpmiddel wordt verricht waarbij röntgenstralen worden gebruikt als gevolg waarvan dat onderzoek risico’s voor de gezondheid kan opleveren.

  3. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of door een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen medisch deskundige. Zo nodig kan de arts of de medisch deskundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.

  4. Indien de verdachte zich tegen het onderzoek in het lichaam verzet of dat onderzoek uitwijst dat hij voorwerpen of sporen van een strafbaar feit in zijn lichaam draagt die niet met behulp van een onderzoek in het lichaam kunnen worden verwijderd of die niet kunnen worden verwijderd zonder negatieve gevolgen voor de veiligheid of de gezondheid van de verdachte of zonder risico op beschadiging van de voorwerpen of sporen, kan de officier van justitie bevelen dat hij in een observatiecel wordt geplaatst.