1. Een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk kan alleen met toestemming van betrokkene worden verricht indien hij voorafgaand aan het geven van zijn toestemming op het doel van het onderzoek en op de gevolgen van het geven van toestemming is gewezen. De toestemming voor dit onderzoek wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. De vorige twee zinnen zijn niet van toepassing in geval met toestemming van betrokkene een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, eerste lid, 2.6.7, eerste lid, 2.6.12 en 2.6.16, wordt verricht.

  2. Voor een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk kan de toestemming alleen worden gevraagd door de functionaris die op grond van de Titels 6.2 tot en met 6.5 bevoegd is om het bevel tot dat onderzoek te geven. De vorige zin is niet van toepassing op het vragen van toestemming voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, eerste lid, 2.6.7, eerste lid, 2.6.9, eerste tot en met derde lid, 2.6.10, eerste lid, 2.6.11, eerste en tweede lid, 2.6,12, 2.6.15, eerste lid, en 2.6.16.

  3. Een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk dat met toestemming van betrokkene wordt verricht, wordt door dezelfde functionaris verricht als de functionaris die daartoe op grond van dit hoofdstuk bevoegd is.

  4. Op een onderzoek dat met toestemming van betrokkene wordt verricht, zijn de regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.6.5 zijn gesteld, van overeenkomstige toepassing.