De bevoegdheden, omschreven in de artikelen 2.6.6 tot en met 2.6.8, 2.6.10 tot en met 2.6.18, 2.6.20 en 2.6.21, kunnen ten aanzien van een verdachte alleen worden uitgeoefend als hij is opgehouden voor onderzoek of in verzekering of in voorlopige hechtenis is gesteld. Deze bevoegdheden kunnen ook in geval van staandehouding of aanhouding van de verdachte worden uitgeoefend indien dat in die artikelen is bepaald.