1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat met gebruikmaking van celmateriaal dat is afgenomen van het slachtoffer van wie de identiteit onbekend is of van veiliggestelde sporen waarvan wordt vermoed dat die afkomstig zijn van de dader van het misdrijf, een DNA-onderzoek wordt verricht dat gericht is op het vaststellen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.

  2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.