1. De officier van justitie kan een DNA-onderzoek bevelen dat is gericht op het vaststellen van verwantschap tussen twee of meer donoren van verwerkte DNA-profielen. Het verbod om genetische gegevens te verwerken is in dat geval niet van toepassing.

  2. Het bevel kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Indien het DNA-onderzoek aan de hand van het merendeel of alle verwerkte DNA-profielen wordt verricht, kan het bevel alleen worden gegeven onder de in artikel 2.6.4, onderdelen a en b, omschreven voorwaarden.

  3. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan dit resultaat worden gebruikt voor het opsporen en vervolgen van het misdrijf in het kader waarvan de verwantschap is vastgesteld.

  4. Celmateriaal dat is verwerkt ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17, eerste lid, of een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, en de daaruit bepaalde DNA-profielen mogen worden gebruikt voor een DNA-onderzoek dat is gericht op het vaststellen van verwantschap. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte ten behoeve van dat DNA-onderzoek celmateriaal wordt afgenomen.

  5. Indien van een minderjarige persoon die niet de verdachte is vermoed wordt dat hij slachtoffer is van een misdrijf als omschreven in de artikelen 197a, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 248a, 248b, 249, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 en 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan de officier van justitie na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris bevelen dat van hem celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vaststellen van verwantschap.