1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vaststellen of het uit dat celmateriaal bepaalde DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van een of meer veiliggestelde sporen of met een of meer van de op grond van deze afdeling of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden verwerkte DNA-profielen.

  2. In geval van verdenking van een strafbaar feit kan de officier van justitie een DNA-onderzoek bevelen dat gericht is op het vaststellen of het DNA-profiel van een of meer veiliggestelde sporen overeenkomt met verder verwerkte DNA-profielen. Deze bevoegdheid kan ook door de hulpofficier van justitie worden uitgeoefend voor zover er sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 310 en 311, eerste lid, onderdelen 1°, 4° en 5°, van het Wetboek van Strafrecht en het DNA-onderzoek betrekking heeft op veiliggestelde sporen die vermoedelijk van de dader van dat misdrijf afkomstig zijn.

  3. Celmateriaal wordt alleen van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken zijn genomen en verder verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8.

  4. Een arts, een verpleegkundige of een opsporingsambtenaar neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. De bevoegdheid van de opsporingsambtenaar is beperkt tot de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

  5. Een bevel op grond van het eerste lid of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan achterwege blijven indien het naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is dat het celmateriaal van de verdachte buiten zijn medeweten wordt verkregen of indien de verdachte zich tegen de afname van zijn celmateriaal verzet of vermist is. In dat geval kan het DNA-onderzoek worden verricht aan het celmateriaal dat op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig is of op andere wijze verkregen is, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat celmateriaal van de verdachte afkomstig is.

  6. Indien het celmateriaal buiten medeweten van de verdachte is verkregen en ten behoeve van een DNA-onderzoek is gebruikt, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het DNA-onderzoek in kennis.

  7. Indien wordt vermoed dat een derde is vermist wegens een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie bevelen dat aan het celmateriaal van de derde op de wijze, bedoeld in het vijfde lid, laatste zin, een DNA-onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt verricht.