1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte ten aanzien van wie op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.10, eerste lid, onderdeel a, het vermoeden bestaat dat hij onder invloed verkeert van alcohol en de hoeveelheid alcohol boven de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen grenswaarde uitkomt, of ten aanzien van wie op andere wijze dat vermoeden is ontstaan, bevelen zijn medewerking te verlenen aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht.

  2. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan de verdachte bevelen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek indien het verrichten van een nader ademonderzoek bij hem vanwege bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is, indien zijn medewerking niet heeft geleid tot een voltooid nader ademonderzoek of indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.10, eerste lid, onderdeel b, het vermoeden bestaat dat hij onder invloed verkeert van een of meer middelen als bedoeld in dat artikelonderdeel of een combinatie van die middelen met alcohol en de hoeveelheid van dat middel of die middelen boven de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen grenswaarde uitkomt.

  3. Het bloed dat voor het onderzoek benodigd is, wordt afgenomen door een arts of verpleegkundige. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.