1. Nadat de aangehouden verdachte aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie is voorgeleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij de officier van justitie of de hulpofficier van justitie beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek.

  2. De verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de verdachte van wie geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld en die wordt verdacht van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld, kunnen ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek; in de overige gevallen kan de verdachte ten hoogste zes uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.

  3. Het ophouden voor onderzoek omvat in elk geval het vaststellen van de identiteit van de verdachte wiens identiteit nog niet is vastgesteld, en het verhoor van de verdachte. Het ophouden voor onderzoek kan de voorbereiding van de voorgeleiding aan de officier van justitie of hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 2.5.13, en het uitreiken van berichten over de zaak aan de verdachte in persoon omvatten.