1. Afdeling 5.4.7 is van overeenkomstige toepassing op het eindarrest, met uitzondering van artikel 2.5.49, tweede lid.

  2. Het gerechtshof heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, is opgelegd.

  3. Indien het gerechtshof de zaak overeenkomstig artikel 5.4.28 terugwijst naar de rechtbank, kan het bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis nog voor een door hem te bepalen termijn van ten hoogste een maand na zijn beslissing van kracht blijft. Indien binnen deze termijn het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.