1. Een bevel dat ingevolge artikel 2.5.45, tweede lid, voortduurt of dat op grond van artikel 2.5.52 is gegeven, kan vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep door het gerechtshof op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd met ten hoogste vier maanden. De geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan samen een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het eindvonnis, niet te boven gaan.

  2. Het gerechtshof kan de verlenging, bedoeld in het eerste lid, alleen bevelen indien door de rechtbank een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming meebrengt dan wel een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel van ten minste even lange duur is als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.

  3. Indien de verlenging van het bevel op grond van het tweede lid is uitgesloten en door de rechtbank een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 2.5.49, derde lid, is opgelegd waaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden dan wel een vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 2.5.49, derde lid, is opgelegd, in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden kan het gerechtshof de tenuitvoerlegging van het bevel schorsen met ingang van het tijdstip waarop de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf. In dat geval blijft het bevel van kracht en worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis geen andere voorwaarden verbonden dan de aan de voorwaardelijke vrijheidsstraf dan wel de maatregel van ter beschikking stelling of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verbonden voorwaarden.

  4. In afwijking van het tweede lid kan een bevel dat ingevolge artikel 2.5.50, eerste lid, voortduurt worden verlengd indien beroep is ingesteld tegen een eindvonnis, houdende onbevoegdverklaring of nietigverklaring.