1. In afwijking van artikel 2.5.49, eerste lid, kan de rechtbank die de tenlastelegging nietig verklaart of zich onbevoegd verklaart om het strafbare feit te berechten, bepalen dat het bevel tot voorlopige hechtenis nog voor een door haar te bepalen termijn van ten hoogste een maand na het onherroepelijk worden van het eindvonnis van kracht zal blijven, indien dat feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

  2. Indien het onderzoek op de terechtzitting binnen de op grond van het eerste lid bepaalde termijn is aangevangen, blijft het bevel van kracht totdat twee maanden na de dag van het eindvonnis zijn verstreken.