1. De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op indien zij voor het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke of gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt van langere duur dan de al door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en evenmin een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt.

  2. Indien de rechtbank voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, een vrijheidsstraf oplegt waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis met minder dan twee maanden overtreft en geen maatregel oplegt die vrijheidsbeneming meebrengt, heft zij het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechtbank ervan afzien het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen indien de tenuitvoerlegging van dat bevel is geschorst of door de rechtbank wordt geschorst en de rechtbank een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, de maatregel van terbeschikkingstelling oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden, dan wel voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen oplegt, waaraan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verbonden. In dat geval worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis geen andere voorwaarden verbonden dan de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, de voorwaardelijke jeugddetentie, de maatregel van terbeschikkingstelling, dan wel de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verbonden voorwaarden.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een bevel tot gevangenneming dat bij eindvonnis wordt gegeven.