1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit kan ieder de verdachte aanhouden.

  2. De opsporingsambtenaar die een verdachte bij ontdekking op heterdaad aanhoudt, geleidt hem zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie.

  3. Vindt de aanhouding plaats door een ander dan een opsporingsambtenaar, dan levert deze de aangehoudene direct over aan een opsporingsambtenaar, onder afgifte aan deze van bij de verdachte aangetroffen voorwerpen. De opsporingsambtenaar geleidt hem zo spoedig mogelijk voor aan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, tenzij de opsporingsambtenaar overeenkomstig artikel 1.3.15 van de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing afziet. In dat laatste geval stelt hij de verdachte direct in vrijheid.