1. Het openbaar ministerie kan, indien het opheffing van de schorsing noodzakelijk acht, de aanhouding van de verdachte bevelen indien deze de voorwaarden niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht.

  2. Indien het openbaar ministerie na de aanhouding van de verdachte de opheffing van de schorsing noodzakelijk blijft achten, dient het direct een vordering tot opheffing van de schorsing bij de rechter in, die binnen twee dagen daarna beslist.