1. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, het bevel tot schorsing wijzigen.

  2. Onverminderd artikel 2.5.57, eerste lid, kan de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie de opheffing van de schorsing bevelen, ook indien de verdachte de voorwaarden naleeft.

  3. Bij de opheffing van de schorsing kan, indien de verdachte de voorwaarden niet heeft nageleefd, de zekerheid geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard aan de Staat.

  4. Indien de verdachte zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekt, kan, indien dit nog niet is gebeurd, de zekerheid vervallen worden verklaard aan de Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing van de schorsing is bevolen, vervallen verklaard aan de Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 2.5.33, eerste lid, onderdeel c, niet nakomt. De beslissing wordt door de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie genomen.