1. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn van rechtswege de voorwaarden verbonden dat:

    1. de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

    2. de verdachte, indien de opheffing van de schorsing wordt bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

    3. de verdachte, indien hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, of tot een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken; en

    4. de verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn verbonden, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  2. De aan de schorsing te verbinden voorwaarden kunnen verder inhouden:

    1. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    2. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    3. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    4. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    5. de beperking van het recht om Nederland te verlaten of de verplichting het paspoort of ander reisdocument in te leveren;

    6. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    7. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

    8. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;

    9. opneming van de verdachte in een zorginstelling;

    10. het gehoor geven aan oproepingen of het verschijnen op de terechtzitting; of

    11. andere voorwaarden die verband houden met de gronden waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen.

  3. De rechter kan met het oog op de naleving van de voorwaarden de toepassing van elektronisch toezicht of zekerheidstelling bevelen. De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor en de wijze waarop de zekerheid moet worden gesteld.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van het derde lid die in elk geval de wijze van zekerheidstelling betreffen.