1. Iedere opsporingsambtenaar kan de verdachte staande houden om zijn identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste lid. Hij onderzoekt tevens een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  2. Iedere opsporingsambtenaar kan de getuige staande houden om zijn identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 1.6.1.