1. Bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging of opheffing daarvan en bevelen tot schorsing en tot wijziging of opheffing daarvan zijn dadelijk uitvoerbaar.

  2. Een bevel tot voorlopige hechtenis gaat in op het moment waarop de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dat bevel wordt aangehouden dan wel op het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van een ander bevel tot vrijheidsbeneming, in dezelfde zaak gegeven, eindigt.

  3. De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging van het bevel is geschorst op grond van Afdeling 5.4.3, de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of de verdachte uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.