1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  2. Het bevel omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond en de gedragingen, feiten of omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaruit blijkt op welke van de gronden, bedoeld in artikel 2.5.27, eerste lid, het bevel is gebaseerd en die het bevel noodzakelijk maken.

  3. De verdachte wordt in het bevel met zijn naam of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  4. Het bevel kan in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte de plaats vermelden waar de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.