1. Een bevel tot inverzekeringstelling kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het bevel tot inverzekeringstelling kan ook worden gegeven in het geval waarin geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

  2. Onder het belang van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid, wordt bij de inverzekeringstelling mede verstaan het belang van de voorbereiding van de voorgeleiding aan de rechter-commissaris en het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de zaak.

  3. Het bevel tot inverzekeringstelling geldt voor ten hoogste drie dagen. Bij dringende noodzaak kan het bevel tot inverzekeringstelling door de officier van justitie eenmaal met ten hoogste drie dagen worden verlengd.

  4. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, wordt de verdachte in vrijheid gesteld. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft daartoe zo nodig bevel. Indien het belang van het onderzoek alleen nog bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een bericht over de zaak, wordt dit bericht zo spoedig mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld.