1. Op verzoek van de aangehouden verdachte doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, direct mededeling van zijn vrijheidsbeneming aan ten minste een door de verdachte aangeduide persoon.

  2. Op verzoek van de aangehouden verdachte die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, doet de officier van justitie of de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beslist om de verdachte op te houden voor onderzoek, direct mededeling van zijn vrijheidsbeneming aan de consulaire post van de staat waarvan de verdachte de nationaliteit heeft.

  3. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan de in het eerste lid bedoelde mededeling uitstellen voor zover en voor zolang als dit wordt gerechtvaardigd door een dringende noodzaak om:

    1. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; of

    2. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek kan worden toegebracht.

  4. De in het derde lid bedoelde beslissing is gemotiveerd.