1. Bevelen van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd, met uitzondering van de bevelen, bedoeld in de artikelen 2.5.5 en 2.5.9.

  2. Bevelen van de rechter-commissaris als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd. Artikel 2.1.13, tweede lid, derde zin, is niet van toepassing.