1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte:

    1. de deskundige opdragen aanvullend onderzoek te doen, of

    2. een nieuwe deskundige benoemen met een opdracht tot uitvoering van een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek.

  2. De verdachte kan ter ondersteuning van zijn verzoek hiertoe kennisnemen van de stukken en de onderzoeksresultaten waarop de conclusies van het eerste onderzoek zijn gebaseerd. In het belang van het onderzoek kan de officier van justitie bepalen dat de kennisneming geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kennisneming.

  3. Op een verzoek tot benoeming van een nieuwe deskundige is artikel 2.4.1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Het nieuwe onderzoek moet gelijkwaardig zijn aan het eerste onderzoek.

  4. Op de beslissing van de officier van justitie is artikel 2.4.1, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  5. Op het aanvullende onderzoek of het tegenonderzoek is artikel 2.4.2 van overeenkomstige toepassing.