1. De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte een deskundige benoemen die in het register, bedoeld in artikel 1.7.2, is geregistreerd.

  2. Deze bevoegdheid kan in de gevallen bij de wet bepaald ook worden uitgeoefend door de hulpofficier van justitie. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Bij een verzoek tot benoeming van een deskundige kan de verdachte een of meer personen ter benoeming voordragen.

  4. Tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet, kiest de officier van justitie een of meer van de deskundigen uit de door de verdachte voorgedragen personen.

  5. De officier van justitie wijst een verzoek van de verdachte tot benoeming van een deskundige toe voor zover dit redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen. Hij geeft de verdachte direct kennis van zijn beslissing. Een afwijzing wordt gemotiveerd.