1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan beslissen dat:

    1. de aangehouden verdachte, zonder dat deze in de gelegenheid wordt gesteld zijn recht op rechtsbijstand uit te oefenen, direct na zijn aanhouding ter plaatse wordt verhoord;

    2. met het verhoor wordt begonnen zonder dat een raadsman beschikbaar is;

    3. met het verhoor wordt begonnen of het verhoor wordt voortgezet zonder dat de aangehouden verdachte gelegenheid wordt geboden voor het in artikel 2.3.8, eerste lid, bedoelde onderhoud; of

    4. de raadsman niet tot het verhoor wordt toegelaten.

  2. De in het eerste lid bedoelde beslissingen kunnen alleen worden genomen voor zover en voor zolang als deze worden gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om:

    1. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; of

    2. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek wordt toegebracht.

  3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c of d, kan door de hulpofficier van justitie alleen met toestemming van de officier van justitie worden genomen.

  4. De beslissing is gemotiveerd.