1. De opsporingsambtenaar die een persoon uitnodigt om een verklaring af te leggen deelt daarbij mee of deze als getuige of als verdachte wordt verhoord.

  2. Indien ten aanzien van een als getuige gehoorde persoon gedurende het verhoor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaat als bedoeld in artikel 1.4.1, tweede lid, doet de verhorende opsporingsambtenaar, indien deze het verhoor wil voortzetten, aan deze persoon de in artikel 1.4.4, eerste en tweede lid, genoemde mededelingen.