1. Indien de aangifte mondeling wordt gedaan, stelt de opsporingsambtenaar de identiteit van de aangever vast. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.

  2. Van de mondelinge aangifte wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal vermeldt de identiteit van de aangever. Titel 1.4 en de artikelen 2.3.3, derde lid, en 2.3.4 zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien de aangever of zijn gemachtigde de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, wordt hij in staat gesteld aangifte te doen in een taal die hij begrijpt of spreekt.