1. Openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht om daarvan direct aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar en om de stukken die op de zaak betrekking hebben daarbij over te dragen, indien het gaat om

    1. een misdrijf omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht of een misdrijf begaan onder een van de strafverzwarende omstandigheden die in artikel 44 van dat wetboek zijn omschreven, dan wel

    2. een misdrijf waardoor inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.

  2. Een gelijke verplichting rust op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet.

  3. De officier van justitie kan beslissen dat de aangifte van misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, achterwege kan worden gelaten.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel.