1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, bevelen dat een getuige wordt verhoord door een opsporingsambtenaar, indien zijn bijzondere deskundigheid van belang is voor het verhoor.

  2. Het bevel vermeldt de identiteit van de te verhoren getuige en het onderwerp van het verhoor.

  3. De rechter-commissaris roept de getuige op te verschijnen op een in overleg met de opsporingsambtenaar bepaalde plaats en tijd. De rechter-commissaris kan bepalen dat de oproeping wordt betekend. De getuige is verplicht voor de opsporingsambtenaar te verschijnen. Indien de getuige op een betekende oproeping niet verschijnt, kan de rechter-commissaris hem opnieuw oproepen en daarbij een bevel tot medebrenging geven.

  4. Op het verhoor is Titel 3.3 van toepassing, met dien verstande dat de rechter-commissaris beslist over toegang tot bijwoning van het verhoor. De raadsman van de verdachte, indien deze bekend is, kan het verhoor bijwonen en de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien.

  5. De getuige is verplicht op de door de opsporingsambtenaar gestelde vragen te antwoorden. De artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9 zijn van toepassing. Indien de getuige zich beroept op een verschoningsrecht, wordt het verhoor beëindigd. De opsporingsambtenaar stelt de rechter-commissaris hiervan in kennis.

  6. De opsporingsambtenaar brengt het proces-verbaal van verhoor ter kennis van de rechter-commissaris.