1. De verdachte kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een verzoek op grond van dit hoofdstuk, tenzij het een verzoek betreft op grond van:

    1. artikel 2.10.2, eerste lid, of 2.10.4 en de officier van justitie inmiddels een procesinleiding heeft ingediend bij de voorzitter van de rechtbank;

    2. artikel 2.10.29, eerste lid, 2.10.45, eerste lid, 2.10.46, eerste lid, 2.10.66, eerste lid, of 2.10.67, eerste lid.

  2. De verdachte kan ook beroep instellen tegen:

    1. het bevel van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.23, of de verlenging daarvan op grond van artikel 2.10.25, tweede lid;

    2. de beslissing van de rechter-commissaris, op grond van artikel 2.10.39, eerste lid, anders dan op verzoek van de verdachte, dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden.

  3. Artikel 2.10.70, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. De verdachte kan hoger beroep instellen tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek op grond van artikel 2.10.35, tweede lid.

  5. De termijn voor het instellen van beroep of hoger beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. In het geval van het tweede lid, onderdeel a, is de termijn drie dagen na de betekening van het bevel. In het geval van het tweede lid, onderdeel b, is de termijn twee weken na betekening van het bevel. De rechtbank of het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk.