1. De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van dit hoofdstuk, tenzij het een vordering betreft op grond van:

    1. artikel 2.10.1, eerste lid, en de officier van justitie inmiddels een procesinleiding heeft ingediend bij de voorzitter van de rechtbank;

    2. artikel 2.10.45, eerste lid of 2.10.66, eerste lid.

  2. De officier van justitie kan ook beroep instellen tegen:

    1. het bevel van de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.25, derde lid, anders dan op vordering van de officier van justitie, dat het verblijf in de instelling wordt beëindigd;

    2. de beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.39, eerste lid, anders dan op vordering van de officier van justitie, dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden;

    3. de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.60, derde lid, dat de voorgenomen afspraak niet rechtmatig wordt geoordeeld.

  3. Het beroep wordt behandeld door de rechtbank. Het beroep tegen de beslissingen, bedoeld in het tweede lid, wordt behandeld door het gerecht in feitelijke aanleg dat de zaak berecht of zal berechten.

  4. De officier van justitie kan hoger beroep instellen tegen de afwijzing door de rechtbank van een vordering op grond van artikel 2.10.35, tweede lid, of 2.10.36, tweede lid.

  5. De termijn voor het instellen van beroep of hoger beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank of het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk.