1. Indien de officier van justitie een procesinleiding indient bij de voorzitter van de rechtbank, stelt hij de rechter-commissaris die nog onderzoek verricht daarvan direct in kennis.

  2. Nadien kan de rechter-commissaris, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, onderzoek verrichten op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 met dien verstande, dat hij de bevoegdheden die hem in de Titels 10.2 tot en met 10.4 zijn toegekend alleen kan uitoefenen met de instemming van de voorzitter van de rechtbank. Hij vermeldt deze instemming in het proces-verbaal en voegt dit bij de processtukken.

  3. De indiening van de procesinleiding staat niet in de weg aan de toepassing van Titel 10.5.