1. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat de gevangenhouding van de verdachte is bevolen, stelt de officier van justitie indien hij nog geen procesinleiding kan indienen, de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt en de rechter-commissaris in kennis van de stand van zaken in het opsporingsonderzoek. De kennisgeving bevat:

    1. een opgave als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdelen a en b, of, indien de stand van zaken in het opsporingsonderzoek dit nog niet toelaat, een omschrijving van het feit of de feiten waarop het opsporingsonderzoek betrekking heeft;

    2. een aanduiding van het moment waarop naar verwachting de procesinleiding zal worden ingediend.

  2. De officier van justitie draagt er zorg voor dat de verdachte kan kennisnemen van de beschikbare processtukken. Indien hij de verdachte in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde processtukken onthoudt, stelt hij hem hiervan in kennis.