1. De officier van justitie stelt de rechter-commissaris in kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de zaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen zaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een uit feiten of omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, worden beraamd of gepleegd die naar hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, dan wel naar een verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De voorgenomen afspraak bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:

    1. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige bereid is een getuigenverklaring af te leggen;

    2. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;

    3. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen;

    4. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.

  3. Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de voorgenomen afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft.

  4. Afspraken als bedoeld in het eerste lid worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd. Op de vastlegging is artikel 2.1.15, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt in een proces-verbaal melding gemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk bij de processtukken gevoegd.