1. De rechter-commissaris vraagt de deskundige bij aanvang van het verhoor naar zijn beroep en, indien de verdachte bekend is, of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad. Zo nodig doet de rechter-commissaris de deskundige mededeling van een hem toekomend verschoningsrecht overeenkomstig de artikelen 1.6.5 en 1.6.6 tot en met 1.6.9.

  2. De rechter-commissaris beëdigt de deskundige dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.