1. Indien een belang als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid, dat vereist, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel beiden het verhoor van de afgeschermde getuige niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij aanwezig te zijn.

  2. De rechter-commissaris draagt er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde getuige geen verklaring bevat die strijdig is met een belang als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid.

  3. De rechter-commissaris brengt, indien de getuige daarmee instemt, het proces-verbaal ter kennis van de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman. De getuige kan zijn instemming alleen onthouden indien het belang van de staatsveiligheid dit vereist. In geval de getuige zijn instemming onthoudt, draagt de rechter-commissaris er zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor en alle andere gegevens met betrekking tot het verhoor direct worden vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op.

  4. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, indien deze het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, in de gelegenheid om door middel van telecommunicatie of, indien een belang als bedoeld in het eerste lid dat niet toelaat, schriftelijk de vragen op te geven die hij gesteld wenst te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat, kunnen vragen voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven.

  5. Artikel 2.10.42, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.