1. De rechter-commissaris beveelt ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of van de getuige, dat bij gelegenheid van het verhoor van de afgeschermde getuige zijn identiteit verborgen wordt gehouden, indien een zwaarwegend belang van de getuige of van een ander dan wel het belang van de staatsveiligheid dat vereist. In dat geval stelt hij zich voorafgaand aan het verhoor van de afgeschermde getuige op de hoogte van zijn identiteit en vermeldt hij in het proces-verbaal dit te hebben gedaan.

  2. De getuige wordt overeenkomstig artikel 2.10.30 beëdigd of aangemaand.

  3. Indien de rechter-commissaris het bevel geeft, verhoort hij de afgeschermde getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.