1. De rechter-commissaris neemt, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de bedreigde getuige en de getuige, ten aanzien van wie een verzoek of vordering als bedoeld in artikel 2.10.39, eerste lid, is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, verborgen te houden.

  2. Hij kan voor dat doel in processtukken gegevens over de identiteit van de getuige onvermeld laten of processtukken anonimiseren.

  3. De anonimisering wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend of gewaarmerkt.