1. Indien de verdachte bekend is vraagt de rechter-commissaris de getuige of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.

  2. De rechter-commissaris kan bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in artikel 1.6.1 achterwege zal worden gelaten, indien er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. De rechter-commissaris neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van dit gegeven te voorkomen.

  3. Bij toepassing van het tweede lid blijft vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 1.6.1, eerste lid, achterwege.

  4. In geval van een verhoor van een bedreigde getuige of van een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden, blijft het eerste lid buiten toepassing.