1. De rechter-commissaris kan, zoveel mogelijk na overleg met de officier van justitie, door hem noodzakelijk geacht onderzoek als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, ambtshalve verrichten,

    1. indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld ten aanzien van het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, of

    2. ter aanvulling op onderzoek dat de rechter-commissaris op grond van artikel 2.10.1 of 2.10.2 heeft verricht.

  2. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie en de verdachte zo spoedig mogelijk in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking heeft.