1. De rechter-commissaris kan, indien hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, de verdachte ambtshalve of op zijn verzoek in de gelegenheid stellen het verhoor van de getuige bij te wonen.

  2. De verdachte doet een verzoek als bedoeld in het eerste lid tegelijk met het verzoek, bedoeld in artikel 2.10.2, of zo spoedig mogelijk nadat hij ervan in kennis is gesteld dat de rechter-commissaris ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of na verwijzing door de rechtbank een getuige zal verhoren.

  3. De rechter-commissaris beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, nadat hij de officier van justitie en de getuige in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt daarover kenbaar te maken.

  4. Indien een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen of dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen ondervragen, nodigt de rechter-commissaris de verdachte uit het verhoor bij te wonen, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor toelaat.

  5. Indien de verdachte aanwezig is bij het verhoor, is artikel 2.10.28, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten indien deze een ordelijk verloop van het verhoor van de getuige verhindert.