1. De officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris onderzoek verricht door:

    1. bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 10.1 tot en met 10.4 zijn toegekend; en

    2. bevoegdheden uit te oefenen die hem in de Titels 6.7 en 7.7 zijn toegekend.

  2. De vordering bevat een omschrijving van het strafbare feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en van het gewenste onderzoek. De vordering vermeldt de verdachte indien deze bekend is.

  3. De rechter-commissaris stelt de verdachte, indien deze bekend is, in kennis van de vordering van de officier van justitie, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.