1. Indien de Hoofdstukken 6, 7 en 8 van dit boek niet de bevoegdheid verlenen tot het verrichten van een bepaalde onderzoekshandeling, kan de officier van justitie, na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris, een opsporingsambtenaar het bevel geven die onderzoekshandeling te verrichten indien die handeling, gezien de aard van de handeling en de mate van inbreuk op grondrechten, vergelijk-baar is met een onderzoekshandeling waartoe de genoemde hoofdstukken wel de bevoegdheid verlenen.

  2. Het bevel wordt alleen gegeven als is voldaan aan de wettelijke toepassingscriteria van de vergelijkba-re bevoegdheid.

  3. Artikel 2.1.7, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Ten hoogste drie jaar nadat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het bevel op het eerste lid kan worden gebaseerd, wordt een voorstel van wet bij de Tweede Kamer ingediend om te voorzien in een specifieke wettelijke grondslag voor de onderzoekshandeling.

  5. Indien geen voorstel van wet wordt ingediend of indien het ingediende voorstel niet door de Staten-Generaal wordt aangenomen, vervalt de mogelijkheid tot het geven van het bevel.