1. Een machtiging van de rechter-commissaris wordt gegeven op vordering van de officier van justitie.

  2. De vordering en de machtiging worden vooraf, afzonderlijk vastgelegd door de officier van justitie onderscheidenlijk door de rechter-commissaris of op zijn aanwijzing door de griffier. Bij dringende noodzaak kan afzonderlijke vastlegging van de vordering worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen nadat deze is gedaan en kan afzonderlijke vastlegging van de machtiging worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen na ontvangst van de vastgelegde vordering.

  3. Indien de wet voor het geven van een bevel een machtiging van de rechter-commissaris vereist, betreft dit vereiste alle onderdelen van het bevel.

  4. Indien de wet bepaalt dat voor het geven van een bevel een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, geldt dat ook voor een verlenging, wijziging en aanvulling van het bevel, indien de wet daarin voorziet. Het eerste, tweede en derde lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.