1. Bevelen van de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar worden afzonderlijk vastgelegd indien de wet dat bepaalt.

  2. Indien de wet afzonderlijke vastlegging van het bevel voorschrijft wordt het bevel vooraf vastgelegd door degene die het bevel geeft. Een bevel van de rechter-commissaris kan op zijn aanwijzing ook door de griffier worden vastgelegd. Bij dringende noodzaak kan vastlegging van het bevel worden uitgesteld tot uiterlijk drie dagen nadat het bevel is gegeven.

  3. Indien de wet bepaalt dat een bevel waarvan afzonderlijke vastlegging is voorgeschreven, kan worden verlengd, gewijzigd, aangevuld of ingetrokken zijn het eerste en tweede lid en artikel 2.1.15 van overeenkomstige toepassing.