1. Elke procesdeelnemer kan met behulp van de elektronische voorziening een elektronisch adres opgeven voor de overdracht van berichten. Dit adres kan worden gewijzigd door een nieuw elektronisch adres op te geven met behulp van de elektronische voorziening.

  2. De verdachte die geen elektronisch adres heeft opgegeven, kan voor de overdracht van berichten in verband met de zaak:

    1. bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende zaak aan de verhorende rechter of ambtenaar een adres opgeven,

    2. bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting een adres opgeven, alsmede

    3. bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de zaak een adres opgeven of doen opgeven.

  3. Door opgave van een nieuw adres vervalt het eerder opgegeven adres. Door opgave van een elektronisch adres vervalt een adres dat op grond van het tweede lid is opgegeven.

  4. Andere procesdeelnemers dan de verdachte die geen elektronisch adres hebben opgegeven, kunnen door een ondertekend en gedagtekend bericht aan de officier van justitie eenmalig een ander dan een elektronisch adres opgeven. Dat adres vervalt door opgave van een elektronisch adres.

  5. Een opgegeven adres, anders dan een elektronisch adres, kan worden ingetrokken door een ondertekend en gedagtekend bericht aan de officier van justitie.