1. Van iedere betekening door uitreiking wordt vastgelegd:

    1. de autoriteit van welke het bericht uitgaat;

    2. het nummer van het bericht;

    3. de persoon voor wie het bericht bestemd is;

    4. de persoon aan wie het bericht is uitgereikt;

    5. de plaats van uitreiking;

    6. de dag en het tijdstip van de uitreiking.

  2. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon aan wie het bericht wordt uitgereikt vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, en worden identificerende gegevens vastgelegd. Indien deze persoon schriftelijk tot het in ontvangst nemen van het bericht is gemachtigd, wordt de machtiging overgedragen aan de persoon die het bericht uitreikt.

  3. Indien het bericht in Nederland tevergeefs is aangeboden aan het adres dat degene voor wie het bericht bestemd is daartoe heeft opgegeven, het adres waar deze als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel zijn woon- of verblijfplaats, wordt dat eveneens vastgelegd. Dat geldt ook voor de dag van aanbieding.

  4. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt ook vastgelegd of een kopie van het bericht is achtergelaten of toegezonden aan het adres waar het bericht is aangeboden.

  5. De vastgelegde gegevens worden gedagtekend en ondertekend door degene die deze heeft vastgelegd.

  6. De betekening door uitreiking wordt in schriftelijke vorm vastgelegd, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat vastlegging in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over die wijze van vastlegging.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen over de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.