1. Van iedere betekening langs elektronische weg wordt vastgelegd:

    1. de autoriteit van welke het bericht uitgaat;

    2. het unieke nummer van het bericht;

    3. de persoon voor wie het bericht bestemd is;

    4. de dag en het tijdstip waarop het bericht in de elektronische voorziening is geplaatst;

    5. de wijze, de dag en het tijdstip waarop de persoon voor wie het bericht bestemd is zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft alsmede, zo mogelijk, het tijdstip waarop deze persoon het bericht heeft ontsloten.

  2. De betekening langs elektronische weg wordt in schriftelijke vorm vastgelegd, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. In geval bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat vastlegging in andere dan schriftelijke vorm kan plaatsvinden, worden daarin nadere regels gesteld over die wijze van vastlegging.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.