1. Zolang de berechting niet is aangevangen, kan de verdachte de officier van justitie verzoeken zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek is gemotiveerd.

  2. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie verzoeken om hem inzage te verlenen in de stukken, bedoeld in het eerste lid.

  3. Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen over het voegen van de stukken dan wel de inzage daarin, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke hij een beslissing neemt. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte.

  4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken respectievelijk de inzage daarin weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen. Hij heeft daartoe een schriftelijke machtiging nodig, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De officier van justitie stelt de verdachte van deze weigering in kennis. Indien de rechter-commissaris de machtiging verleent omdat hij de voeging van de stukken dan wel de inzage daarin onverenigbaar acht met de in artikel 2.10.32, eerste lid, vermelde belangen, vermeldt hij dat in de machtiging.