1. De verhorende ambtenaar zorgt ervoor dat de getuige bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft welke feiten en omstandigheden hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.

  2. Indien de getuige niet direct nadat hij het feit heeft waargenomen wordt verhoord, vraagt de verhorende ambtenaar de getuige of en, zo ja, hoe hij het verhoor heeft voorbereid.

  3. De getuige legt zijn verklaring af zonder van voorwerpen of gegevens gebruik te maken. De verhorende ambtenaar kan de getuige om bijzondere redenen toestaan bij het afleggen van zijn verklaring gebruik te maken van voorwerpen en gegevens.